Close

Historie

oprichting

Het is eigenlijk al eeuwen geleden dat door kerken en liefdadigheidsinstellingen gronden ter beschikking werden gesteld aan de allerarmsten voor het verbouwen van gewassen. Dit was feitelijk armenzorg. Dus sinds onheuglijke tijden moesten deze mensen hun eigen stukje grond bewerken om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. Dit was een bittere noodzaak; in die tijd was de welvaart van nu nog een ongekende illusie. Pas bij het begin van deze eeuw kwamen er initiatieven van de burgerij zelf om percelen grond te huren of te kopen.

Het is natuurlijk wel zo, dat het telen van siergewassen verspilling van grond was. Alles wat geteeld werd moest gegeten kunnen worden. Het spreekt vanzelf dat deze voorzieningen slechts voor een klein gedeelte van de bevolking bedoeld waren. Het grootste gedeelte van de stads- en dorpsbevolking had voor de eigen behoefte aan aardappelen en groenten toch wel de groentehandelaar nodig. Later werden deze stukjes grond erg belangrijk, vooral tijdens de oorlogsjaren 1914-1918, toen de voedselsituatie in Nederland steeds nijpender werd.

Niet alleen ten gevolge van de blokkades door de oorlogvoerende landen, waardoor de invoer stagneerde, maar ook doordat de boeren en de handelaren beste prijzen konden maken met het exporteren van groente en aardappelen naar met name Duitsland, met het gevolg dat er te weinig overbleef voor de eigen bevolking. De beste kwaliteit aardappelen ging de grens over, voor ons waren de veenpiepers goed genoeg. Door het tekort aan alles zag de overheid zich genoodzaakt om via distributiebonnen de levensmiddelen te rantsoeneren.

Toch is deze periode beslist niet te vergelijken met de hongerwinter 1944-1945. Gedwongen door deze situatie was het voor veel mensen belangrijk om aan een stukje grond te komen en daarmee het voedseltekort te kunnen aanvullen. Door de gemeente werden perceeltjes grond beschikbaar gesteld tegen een redelijke prijs. Zo waren er perceeltjes o.a. nabij de Pauwmolen, bij de begraafplaats Jaffa en aan de Haagpoort naast de toenmalige glasfabriek, in de volksmond de Hut genoemd.
Ook waren er particuliere grondeigenaren die er wel handel in zagen en stukjes grond aan de liefhebbers verhuurden. Onder de oudere leden zijn de namen “het land van Poot” en “de weduwe Jansen” niet onbekend. Deze stukken grond lagen ten oosten van de Oostsingel. Ook elders in de stad kwamen steeds meer kaveltjes beschikbaar, zodat het aantal “volkstuinders” steeds groter werd.

Iedere tuinder moest echter zelf zorgen voor de aankoop van het zaai- en pootgoed. Dit zou collectief natuurlijk goedkoper zijn, dus kwam in 1916 een aantal mensen op het idee om de aankoop te verzorgen in verenigingsverband. Tijdens een bijeenkomst van tuinders die er wel wat in zagen werd gezamenlijk overlegd hoe de zaak aan te pakken en kwamen zij op de gedachte om een stuk grond van de gemeente te huren om hier een soort collectieve tuingroep van te maken. Dus werd een brief gezonden naar het college van B & W met het verzoek voor dit doel grond beschikbaar te stellen. In 1917 kwam er eindelijk antwoord en werd er een stuk grond aangeboden in het verlengde van de toenmalige Kanaalstraat, thans Michiel de Ruijterweg. Besloten werd dit in te huren. Het werd verdeeld in stukken en met prikkeldraad afgezet. Hoewel er toen nog geen sprake was van een vereniging was dit toch een begin.

Toen de oorlog in 1918 voorbij was en de voedselsituatie langzamerhand begon te verbeteren, hingen veel van de gelegenheidstuinders hun spa in de perenboom en stapten op. Maar de meeste mensen hadden de liefhebberij van het tuinieren ontdekt en gingen daarmee door, veelal natuurlijk ook wel om economische redenen. Niet alleen werd de “nutstuin” aangehouden omdat men daarvoor voordelig groente kon telen, maar ook omdat men een eigen stukje grond wilde bewerken waar ook bloemen en planten gekweekt konden worden. Dat waren de ware volkstuinders.

In 1919 was het idee voor de oprichting van een vereniging nog steeds actueel en werd alsmaar sterker. Dit temeer omdat er in Nederland reeds een aantal tuinverenigingen opgericht waren en deze dus een voorbeeldfunctie hadden. Eindelijk was het dan zover dat enige pioniers konden overgaan tot de oprichting van “De Vereeniging van Huurders van Volkstuinen Levenslust”.

Het is enigszins onduidelijk op welke datum dit is geschied omdat er twee data worden vermeld n.l. 15 maart 1919 en 23 juli 1919. Van de oprichting zijn helaas geen aantekeningen te vinden. Zeer waarschijnlijk heeft men op 15 maart besloten om een vereniging op te richten en hiervoor de nodige voorbereidingen te gaan treffen, waarna de definitieve oprichting op 23 juli plaats vond. Via verhalen van oudere leden en wat losse aantekeningen zijn nog enige gegevens bekend. Zeker is dat op 23 juli 1919 in cafe “De Nieuwe Prins”, hoek Oosteinde-Zuiderstraat, de oprichting bekend gemaakt werd en was het bestaan van Levenslust een feit. Het ledental bedroeg toen 33.

14 - cafe

Jubileumboekje 75 jaar